Het Boek Jasher

Tweemaal wordt in de Bijbel verwezen naar het Boek Jasher, ook wel het Boek van de Oprechten genoemd, dat behoort tot de reeks van apocriefe boeken. Eenmaal in Joshua 10-13 en eenmaal in 2 Samuel 1-18. De 91 hoofdstukken van het boek geven een aanvullende verduidelijking en diepere belevenis van de Thora, de vijf boeken van Mozes.

Hier is de link naar de Engelse vertaling in 1840 van het oorspronkelijk Hebreeuwse Boek Jasher:  https://docs.google.com/file/d/0B-vdEd20YXFvZ3k2RjFCeXExQ0E/edit

 

In hoofdstuk 3 wordt uitvoerig ingegaan op het leven van Henoch en zijn lessen aan de mensen:

 

1.     En Henoch leefde vijf en zestig jaar en hij verwekte Methusalah; en Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalah verwekt had en hij diende de Here, en wende zich af van al het kwaad dat de mensen bedreven.

 

2.     En de ziel van Henoch ging geheel op in de onderrichtingen van de Heer in kennis en inzicht, en wat wijs was. Hij zonderde zich af van de mensenkinderen; en vele dagen verborg hij zich voor hen.

 

3.     En jaren later, terwijl hij de Heer diende, en voor Zijn aangezicht bad in zijn huis, riep een engel des Heren vanuit de hemel tot hem, en hij zei: “Hier ben ik “.

 

4.     En de engel sprak: “Sta op, ga uit uw huis en van de plaats waar gij u verborgen hebt, en vertoon u aan de kinderen der mensen, opdat gij hun de wegen zult leren die zij hebben te gaan en de werken die zij moeten doen om in de wegen des Heren te wandelen”.

 

5.     En Henoch stond op naar het woord des Heren, en verliet zijn huis, de plaats en het vertrek waarin hij zich verborgen had; en hij ging naar de kinderen der mensen en onderwees hun in de wegen des Heren, en riep in die tijd de kinderen der mensen bijeen en onderwees hun in de leer van de Heer

 

6.     En hij beval dat het overal bekent moest worden gemaakt waar mensen woonden, met de woorden: “Waar is de man die de wegen des Heren en de goede werken wenst te kennen? Laat hij tot Henoch komen”.

 

7.     En alle kinderen der mensen kwamen bij hem samen, want allen die deze dingen begeerden gingen tot Henoch, en Henoch regeerde over de kinderen der mensen naar het woord des Heren, en zij kwamen tot hem en bogen zich voor hem neer en luisterden naar zijn woord.

 

8.     En de Geest van God was op Henoch, en hij leerde al zijn mensen de wijsheid Gods en Zijn wegen, en de kinderen der mensen dienden de Heer al de dagen van Henoch, en zij kwamen om naar zijn wijsheid te horen.

 

9.     En al de koningen van de kinderen der mensen, allen kwamen met hun prinsen en rechters tot Henoch toen zij van zijn wijsheid hoorden, en zij bogen zich voor hem neer, en eisten van hem dat hij over hen regeerde waarin Henoch toestemde.

 

10.  En zij vergaderden overal, honderd en dertig koningen en prinsen, en zij maakten Henoch koning over zich en allen waren onder zijn macht en gezag.

 

11.  En Henoch onderwees hun wijsheid, wetenschap en de wegen des Heren en hij maakte vrede onder hen, en vrede was over de gehele aarde tijdens het leven van Henoch.

 

12.  En Henoch regeerde over de zonen der mensen twee honderd en drie en veertig jaar, en hij deed recht en gerechtigheid ten aanzien van al zijn mensen en hij leidde hun in de wegen des Heren.

 

13.  En dit zijn de nakomelingen van Henoch, Methusalah, Elisha en Elimelech, drie zonen; en hun zusters waren Melca en Nahmah, en Methusalah leefde 187 jaar toen hij Lamech verwekte.

 

14.  Toen Lamech 56 jaar oud was stierf Adam; 930 jaar oud was hij toen hij stierf, en zijn twee zonen, met Henoch en diens zoon Methusalah begroeven hem met pracht en praal, zoals gebruikelijk is bij koningen in de grot die God hem gewezen had.

 

15.  En op die plaats treurden en weenden al de kinderen der mensen om Adam, daarom is dat onder de mensenkinderen een gewoonte geworden tot op deze dag.

 

16.  En Adam stierf omdat hij van de boom der kennis had gegeten: en hij en zijn kinderen na hem, zoals God had gesproken.

 

17.  En in het jaar van Adam, s dood, het 243 ste jaar van de regering van Henoch besloot Henoch zich af te zonderen van de kinderen der mensen en verborg hij zich, evenals voorheen om God te dienen.

 

18.  En zo deed Henoch, maar hij verborg zich niet blijvend voor hen, maar hij zonderde zich drie dagen van de kinderen der mensen af en ging dan een dag tot hen.

 

19.  En gedurende de drie dagen dat hij in zijn kamer was, bad hij, en prees hij de Here God, en op de dag dat hij tot zijn onderdanen ging en aan hen verscheen, onderwees hij hun de wegen des Heren en alles wat zij hem vroegen over de Heer vertelde hij hun.

 

20.  En op deze wijze deed hij het vele jaren; naderhand evenwel verborg hij zich 6 dagen en verscheen dan aan zijn volk eens in de zeven dagen; en daarna eenmaal per maand, en vervolgens eens per jaar, tot al de koningen prinsen en mensenkinderen naar hem zochten en verlangend waren het aangezicht van Henoch weer te zien en zijn woord te horen; maar zij konden het niet, want al de mensenkinderen waren zeer bevreesd voor Henoch, en zij vreesden hem te naderen vanwege de Goddelijke glans die over zijn gezicht lag; daarom kon niemand hem aanzien, uit angst dat hij bestraft zou worden en zou sterven.

 

21.  En al de koningen en prinsen besloten de kinderen der mensen te verzamelen om tot Henoch te gaan, in de hoop dat zij allen hem zouden mogen spreken, als hij in hun midden zou komen, en aldus deden zij.

 

22.  En de dag kwam dat Henoch verscheen en allen verzamelden en tot hem kwamen, en Henoch sprak de woorden des Heren tot hen en hij bracht hen wijsheid en kennis bij, en zij bogen zich voor hem neer en zeiden:”Moge de koning leven, moge de koning leven”!

 

23.  En enige tijd later, toen de koningen en prinsen en de mensenkinderen tot Henoch spraken en Henoch hen onderwees in de wegen des Heren, zie, een engel des Heren riep vanuit de hemel tot Henoch en wilde hem in de hemel brengen om hem over Gods zonen te laten regeren, zoals hij geregeerd had over de mensenkinderen op aarde.

 

24.  In de tijd dat Henoch dit hoorde ging hij heen en verzamelde al de bewoners der aarde en bracht hun wijsheid en kennis bij en gaf hun goddelijk onderricht, en zei tot hen: “Ik ben geroepen om naar de hemel op te stijgen, maar ik weet niet op welke dag ik moet gaan”.

 

25.  Daarom wil ik u voordat ik u verlaat nu onderwijzen in wijsheid en kennis en wil ik u richtlijnen geven hoe gij op aarde moet handelen om te kunnen leven; en zo deed hij.

 

26.  En hij leerde hun wijsheid en kennis en gaf hun onderricht, en vermaande hen, en hij stelde voor hen reglementen en rechtsverordeningen op om zich daaraan op aarde te houden en hij stichtte vrede onder hen, en hij leerde hun aangaande het eeuwige leven, en verbleef enige tijd bij hen om hun al deze dingen te leren.

 

27.  En in die tijd gingen de kinderen der mensen met Henoch om, en Henoch sprak tot hen, en zij keken naar boven en zagen de verschijning van een groot paard dat vanuit de hemel neerdaalde, en het paard liep in de lucht.

 

28.  En zij vertelden Henoch wat zij gezien hadden, en Henoch zei tot hen: “Voor mij daalt dit paard op aarde neer: de tijd is gekomen dat ik u moet verlaten en gij zult mij niet meer zien”.

 

29.  En op dat moment daalde het paard neer en stond voor Henoch, en alle mensenkinderen die daar bij Henoch waren, zagen het.

 

30.  En weer gaf Henoch het bevel om het volgende bekend te maken: Waar is de man die de wegen van de Here God wenst te kennen, laat hem nu tot Henoch komen voordat hij van ons weggenomen wordt.

 

31.  En al de mensenkinderen verzamelden zich en kwamen die dag tot Henoch; en al de koningen van de aarde met hun prinsen en raadgevers bleven die dag bij hem; en toen leerde Henoch de zonen der mensen wijsheid en kennis, en gaf hun goddelijk onderricht; en hij smeekte hen de Heer te dienen en Zijn wegen te bewandelen al de dagen van hun leven, en hij ging voort met vrede onder hen te stichten.

 

32.  En hierna stond hij op en reed op het paard; en hij vertrok vandaar en al de mensenkinderen volgden hem, ongeveer 800.000 man en zij gingen een dagreis met hem.

 

33.  En de tweede dag zei hij tot hen: “Keer terug tot uw tenten, waarom wilt gij meegaan, misschien zult gij sterven”. En sommigen verlieten hem, maar degenen die bleven gingen zes dagreizen ver met hem mee; en Henoch zei iedere dag tot hen, dat zij terug moesten keren tot hun tenten, opdat zij niet zouden sterven; maar zij wilden niet terugkeren en gingen met hem mee.

 

34.  En op de zesde dag bleven enige mannen bij hem en klampten zich aan hem vast, en zeiden: “Wij willen met u gaan naar de plaats waar gij heen gaat; zo waar de Heer leeft, alleen de dood kan ons scheiden”.

 

35.  En zij drongen er zo zeer op aan om met hem mee te gaan, dat hij niet langer tot hen sprak, en zij volgden hem en wilden niet terugkeren.

 

36.  En toen de koningen teruggekeerd waren, zorgden zij dat er een volkstelling werd gehouden, teneinde te weten hoeveel mensen er nog bij Henoch waren; en op de zevende dag steeg Henoch in een wervelwind met vurige paarden en wagens ten hemel.

 

Hoofdstuk 4

 

1.     En al de dagen dat Henoch op aarde leefde waren 365 jaar.

 

2.     En toen Henoch ten hemel was gevaren stonden al de koningen der aarde op en namen Methusalah zijn zoon en zalfden hem en zorgden ervoor dat hij koning werd in de plaats van zijn vader.

 

3.     En Methusalah handelde oprecht in de ogen van God, zoals zijn vader Henoch hem geleerd had, en ook hij onderwees de mensenkinderen wijsheid en kennis en de vreze Gods gedurende zijn hele leven, en hij week niet naar links noch naar rechts af van de goede weg.